Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home Onderwerpen Overheidscommunicatie

Uitgangspunten communicatie

Inleiding

In de Grondwet (artikel 110) staat dat de overheid de plicht heeft om overheidsinformatie actief openbaar te maken. Dit gegeven is verder uitgewerkt in de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB). Burgers moeten weten wat de overheid met hen voor heeft. Zij moeten zich daarover een oordeel kunnen vormen en in staat worden gesteld om beleid te beïnvloeden. Ook moeten burgers de overheid gemakkelijk kunnen benaderen om informatie op te vragen, voor nadere uitleg, om gebruik te kunnen maken van de diensten van de overheid en om hun mening kenbaar te maken.

De Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) zorgt voor de coördinatie van het algemeen communicatiebeleid van de rijksoverheid. Daarnaast ontwikkelt de Rijksvoorlichtingsdienst gemeenschappelijk communicatiebeleid en neemt een belangrijk deel van de uitvoering van dat beleid voor zijn rekening, zoals de publiekscampagnes van Postbus 51. De minister-president is verantwoordelijk voor het algemeen communicatiebeleid van de Rijksoverheid.

Uitgangspunten

De overheidscommunicatie kent een aantal principiële uitgangspunten, die tot stand zijn gekomen door de inbreng van diverse staatscommissies en discussies in de Voorlichtingsraad. Belangrijk fundament voor die uitgangspunten is de informatieplicht van de overheid zoals die staat vermeld in artikel 110 van de Grondwet en in de Wet openbaarheid van bestuur.

De eerste uitgangspunten voor overheidscommunicatie zijn geformuleerd naar aanleiding van het rapport van de commissie Van Heuven Goedhart in 1946. De nadruk lag zo kort na de Tweede Wereldoorlog op het voorkomen van propaganda door de overheid.
De uitgangspunten zijn voor het laatst herzien in 2001, naar aanleiding van het rapport van de Commissie Toekomst Overheidscommunicatie (Commissie Wallage). De uitgangspunten gelden voor alle communicatie-uitingen van de gehele rijksoverheid en alle uitingen van zelfstandige bestuursorganen (zbo's) die onder de ministeriële verantwoordelijkheid vallen.

1. Hoofddoel

Hoofddoel van de communicatie van de rijksoverheid is te voldoen aan het recht van de burger op communicatie met en informatie van de rijksoverheid en het ondersteunen van goed democratisch bestuur

2. Herkenbaarheid

De rijksoverheid is altijd, ongeacht het kanaal of medium, herkenbaar als deelnemer aan de communicatie, respectievelijk als (mede) afzender en/of anderszins als belanghebbend of betrokken bij de informatie. Bij coproducties geeft de overheid altijd aan welk doel met deelname gediend wordt.

3. Overheidscommunicatie gaat over beleid en organisatie

De communicatie van de rijksoverheid is altijd gericht op de inhoud van het beleid en in dat verband tevens op het functioneren van de overheid als zodanig. Bewindspersonen zullen zelf terughoudendheid betrachten, wanneer sprake is van het gebruik van eigen media en producties van derden waaraan door de overheid wordt meebetaald. Zij treden nimmer op in coproducties en Postbus 51 spots voor radio en televisie.

4. Actieve voorlichting

De regering brengt haar beleid, alsmede de motieven en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen, op actieve wijze onder de aandacht van een zo breed mogelijk publiek. Zij kan daarbij in beginsel van alle beschikbare communicatiemiddelen gebruik maken.

5. In relatie tot beleidsfase

De rijksoverheid maakt in haar communicatie en voorlichting altijd melding van de beleidsfase waarop de informatie betrekking heeft. Die communicatie is daar qua aard, inhoud, toonzetting en omvang mee in overeenstemming. Zonodig geeft de rijksoverheid hierbij aan in welke rol zij optreedt en op welke rol zij de burger aanspreekt. De communicatie in de fase van door het parlement nog niet aanvaard beleid is feitelijk van aard en zakelijk van toonzetting. Dit geldt voor zowel de concrete maatregelen die worden voorgesteld, als voor de achtergronden en motieven daarvan.

6. Interactieve beleidsvoorbereiding

De regering geeft in een vroegtijdig stadium aan of, en zo ja in welke vorm, zij burgers bij de voorbereiding van plannen of maatregelen wil betrekken. Ook wordt vooraf duidelijkheid verschaft over de vraag wat er met de uitkomsten van dergelijke interactieve beleidsvormingsprocessen zal gebeuren.

7. Recht op communicatie

De rijksoverheid zorgt voor een goede bereikbaarheid voor burgers die met haar in contact willen komen. Op  verzoeken om informatie, klachten e.d. wordt snel en adequaat gereageerd. Burgers kunnen zelf een keuze maken via welk beschikbaar kanaal zij met de overheid willen communiceren.

8. Voldoende en juiste informatie

De communicatie van de rijksoverheid is waarheidsgetrouw en bevat voldoende en juiste informatie om belangstellenden en belanghebbenden tijdig in staat te stellen zich zelfstandig een oordeel te vormen over het gevoerde en het te voeren beleid.

9. Toegankelijk, begrijpend en passend

Communicatie van de rijksoverheid is technisch en inhoudelijk voldoende toegankelijk, begrijpelijk, tijdig en zo gericht mogelijk. Doel en middelen zijn steeds met elkaar in overeenstemming.

10. Proportionaliteit

De rijksoverheid voldoet in haar communicatie aan het principe van proportionaliteit in geval van onderwerpen die controversieel zijn en/of onderhevig zijn aan maatschappelijke discussie en in het geval van nog niet door het parlement aanvaard beleid. De communicatie staat in die gevallen in redelijke verhouding tot de mogelijkheden van andere spelers in het maatschappelijk krachtenveld en mag niet de werking van onafhankelijke media  bemoeilijken.

11. Geen vermenging

De communicatie van de Rijksoverheid wordt niet vervlochten met partijpolitieke belangen. Ook de schijn van vermenging wordt vermeden. Binnen dat uitgangspunt zijn er situaties denkbaar waarbij bewindslieden ook bij partijpolitieke optredens door overheidsvoorlichting worden begeleid.

Zie ook